Maar het wonder heeft zich niet gehandhaafd. Zij vecht tegen haar onlust, zij wil niet ten onder gaan zonder verweer. Zij moet de bron van haar taaiheid nog verder aanspreken om weer op te staan en een ruimer verkwikking te zoeken in Worms dan die zij nu al vele weken lang hier en daar mocht vinden bij de weinige Joodse gezinnen in de dorpen. Twijfel kwam ook, in die zwakheid, omtrent haar houding jegens Fantin. Smach-ting naar die geringe veiligheid zelfs van een huwelijk, naar die gezamenlijkheid met een man die steunt, naar de omslo-tenheid van een huis, naar een bed dat meer dan twee nachten voor haar gereed staat. En (van welk meisje is het niet de verre droom?) naar het lachen van een zacht eigen kind in je arm. Naar de plichten die lokken met het onzichtbaar maken van het gevaar. Zij weet dat alles. Tante Belle en honderden andere Joodse vrouwen zochten er haar wijsheid in; de onafwendbaarheid van het ongeluk wordt daarin erkend, en de ontmoeting met de gewelddadige dood uitgesteld tot het ogenblik van de gruwelijke verzinking in de vijand-wil. Bij de inval van zulke overwegingen zakt haar het hoofd toch op de borst, de last op schedel en nek schijnt ondragelijk. Maar zij wil niet Fantin’s vrouw zijn; zij wil niet, als zoveel Joodse meisjes, alle droom offeren aan die al te zoete schikking in een leven dat zelfs met een uitwendig veilige voortzetting niet beloont. Dan liever vechten tot het laatste uur. En daarvan zwijgen. Want het is een geheim met haar lot, ja, mag men het wel zo noemen? en toch gelooft zij het: een geheim met God is het, dat zij heeft.
Zij stond op en bekeek zich van schouder tot schouder en omlaag. Een lach kwam op, om dat nonnenkleed. De bruid van wie? Zeker, de bruid van iemand, ja. Hoe was het vroeger? Schande over de vrouw die geen man heeft, en zich mooi wil maken met opschik? En heeft dan niet elke vrouw een man? Hij is er, hij wacht en ziet naar u uit. En vloek over de vrouw