tans warmte, en het nonnenkleed dekt even ruim als het hare, al is het nat van de regen die door de hemel met volheid op haar tocht wordt uitgeschonken. O, zij zal zeker straks een houtvuur vinden waarbij zij mag aanschikken en drogen en rusten, gastvrijheid van korte duur durft zij nemen omdat zij weet dat zij ze ook geven zou. Voor het ogenblik beschermt haar die kloosterdracht, die zij heeft moeten betalen met de vernederde en schuldige te zijn voor de zalige zelfverheffing en de nog zaliger verootmoediging van de Moeder-Overste, al heeft zij angsten uitgestaan bij de ontmoeting van de beruchte zwervende studenten die haar maar nauwelijks ongehinderd lieten toen zij zagen hoeveel begeerlijks zich over de weg bewoog in dat met macht dreigende zwart. God van Israël, wat heeft zij veel mensen gezien, die veilig zijn, die zekerheid hebben in hun woning, en gaan slapen zonder vrees. Die weelde bestaat dus: slapen zonder vrees? een eindeloze rijkdom, die wel het uitgangspunt moet zijn voor vrolijkheid, voor vreugde en mooie daden. Heeft zij die weelde ooit gekend? Ten volle nooit. Maar toen zij als kind het leven bij de vader en moeder nog veilig rekende, toen heeft zij toch in het huis wel genoeg vermeiing genoten om voor altijd te weten welk onmetelijk bezit van geluk daarbuiten in de wereld mogelijk moest zijn. Want zij is grootgebracht in de naieve leer die het leven van de mens te eerbiedigen en te verheerlijken, stelt als hoogste gebod. Een leer zonder woorden, maar die stond in elke daad. Vandaag, daar op het magere bermpje van een weg die zonder verschiet lijkt, moet zij in haar uitputting het jeugdhuis wel gedenken, dat nog als een warme tent om haar heen stond, eer zijn vernietiging een open wond werd in de bevinding. De pijn van die herinnering is wee en bijna duizelingwekkend: hoeveel moed heeft zij nodig om er de aandacht aan te ont-vechten die zij toch moet inzetten voor het verder gaan. Wat haar eigen engste kring betreft: eerst de moeder omgebracht.