Dat was niet heel ver, van Zeil naar Worms, maar voor het eerst sinds haar vlucht naar Oom Fantin’s woning was Ricia nu pas werkelijk mismoedig. De steun die wenkte, ginds, bij Peters verschijning, schijnt nu wel in de lucht opgelost, en in haar verslagenheid ergert zij zich aan de beloften daarvan, die haar meer hebben beziggehouden dan zij zich bewust was. Hij krijgt alle schuld van haar teleurstelling, en zijn poging tot verdere toenadering herdenkt zij met scherpe verstoordheid. Niet zozeer dat hij haar onderdak aanbiedt in het huis van zijn moeder, hoewel zij daarin toch een dwang zag waaruit zij hem als man zou moeten aanvaarden zonder hem in vrijheid te hebben gekozen. Maar dat hij haar wil leren die Bloemenkrans of het Rozensnoer of hoe het heet, te bidden, en niet minder dat hij niet wilde verzwijgen wat als grap niet kon slagen: dat zij nu de bruid van Christus was, dat heeft haar opeens van hem vervreemd. En zij kan de verwondering nog niet meester worden over de tegenstelling tussen die stem en dat gezicht die haar beide niet onvertrouwd voorkwamen, en die woorden door de geest van vijandige, ziels vreemde Christenen uit die mond weggesproken. Ondanks zijn gave en flinke optreden in het bos heeft zij wel een gemis aan innerlijke orde bij hem vermoed; haar moederlijkheid heeft een groot kind in hem ontmoet, haar jeugd had zich daarmee verzoend. Nu begint zij te geloven dat haar lot met hem heeft afgerekend, en alleen de weinig beminde Fantin blijft in de lege wereld haar omzweven, als een bekendheid meer dan als een vertrouwdheid. Het bermpje aan de weg waarop zij zich laat neervallen nu het weer een ogenblik droog is geworden, mag een kille zetel zijn, met kleine resten van sneeuw op het gras dat als bleke haartjes is op een kale schedel, de vermoeidheid geeft het noch-