vluchten te redetwisten. De vreemdheid van Arons geest is verontrustend. Aron knikt alleen nog, en zwijgt verder. Hij zal over des Bisschops voorstel nadenken. Beiden weten dat de woorden alleen nog dienen om het afscheid te bedekken. Aron kent de w'oede van de Bisschop tegen de gildenmacht van Strassburg die hem voortdurend de Joden-inkomsten en alle verdere Gezag betwist. Die inkomsten gaan verloren en een grote grondige inning van Jodengeld die de Gilden zelf schijnen te bespoedigen, kan de enige schadeloosstelling zijn die nog te verwachten is. Vervloekte Gilden, vervloekte Joden.
Aron, in een sterk vertrouwen op zijn onmisbaarheid en zijn terugkeer, -liet Strassburg en zijn bekoorlijkheden, en de Bisschop met zijn zorgen en Hof-gevoeligheden achter, en zocht veiligheid ergens op het land. Het nog niet bezorgde bezit werd op een afstand van het reeds begravene verborgen: Joods geld bij Joods bloed hield overal de Duitse grond. Het waren zeer weinigen die het inzicht en de reeheid hadden, de verwarring van de laatste angst vooruit te lopen. Ook in Strassburg w^aren de Joden te laat, en niet alleen daarmee onvoorzichtig geweest.