Omdat Gij dat alles zo tot uw glorie bijeengeschikt hebt, gelooft Gij dat Gij meesters zijt over Leven en Eeuwigheid. Neen. Dat kan niet goed zijn.’ Het stoute antwoord van Rabbi Salomon daar in Mainz heeft hij in zijn hersengeheugen nog bijna volledig staan; hij kan het opnieuw formeren met zijn eigen verzet. Want dat geeft hem zijn persoonlijk machtsbewustzijn in, nu hij in de afwending van de Bisschop het loslaten ziet, en al wat daarachter dreigt. Na zoveel dienst, zoveel braafheid, deze zelfverheffing te moeten aanzien die kennelijk een volledige vijandigheid wil openbaren op nieuwe diefstal belust, en waarin hij zoal niet zijn, Arons laffe doop, dan toch die van de overige Joden van Strassburg als een tegenvaller zou boeken, dat stuit hem en jaagt hem in nog verborgen ergernis. De Heer Bisschop hangt hem nu de keel uit. Hij is veertig jaar; als knaap was hij een rakker, en de Bisschop roept de rakker in hem terug met dit laatste gebaar van onoprechte negatie. Hij dacht terwijl hij de volle rode Bisschoppelijke wangen ziet: Gij slijt, ouwe heer, als vet in het vuur. Ik begrijp waar ge heen wilt: ik gedoopt en de rest door uw Kerkelingen uitgemoord, de baten voor u, en ik als pronkstuk aan uw stola. Het is mooi wat ge daar staat te zingen, maar ik zing niet mee, zelfs niet als ge naar mijn verworven bezit verwijst dat maar een aalmoes je is vergeleken bij wat gij al zo bijeen hebt getrost.
‘Ik geloof toch niet, geleerde Rentmeester, dat Gij van de aardse stof zo afkerig zijt.’
‘God heeft ook ons, Heer Bisschop, het verstand gegeven om de vrucht van de aardbodem in onze dienst te nemen, opdat wij, Joden, niet geheel weerloos zullen zijn tegen zoveel boosaardigheid. ’
De Bisschop doet nog een poging. Men beklaagt zich bij hem over een Rentmeester die niet in Jezus Christus gelooft. En hij gebruikt geen geweld. (Nee, vandaag nog niet, weet Aron). Maar het valt hem moeilijk, met zoveel hardnekkigheid en uit-