hun Joden lieten klinken, gedurende honderden jaren, en altijd vergeefs, want altijd met verachting opgevangen. Anders dan door bemiddeling van de Bisschop en zijn vlijtige voorgangers, weet hij niets van dat woord Gods. Hij is overtuigd, en met woedende spot, dat zij de Pentateuch naar hun zin zijn gaan uitziften, nadat zij gereed waren met hun volstrekte macht over de geschiedenis van de Nazareër. ‘Daarvoor moest Jezus door uw handen sterven, om op te staan en ons allen te redden.’
‘Ik kan mij daarover verheugen, dat de Heer Bisschop gelukkig is in Zijn overtuiging.’ (En is er dan wel iets gereds aan u te bespeuren? Voor ons niets, met uw afschuwelijke barbarij. Bij de Joden werd wel eens een weerspannige gedood, maar gij slacht uw ketters en uw zogenaamde heksen, alsof de fijnste stukjes voor het braadspit bewaard moeten worden).
‘Daarvoor moest gij dit doen, om verstrooid te worden en ons ten bewijze te dienen.’
‘Uw God,’ antwoordt Aron, ‘heeft ons aldus bestemd voor de bestendigheid van uw aller heil. Het moet een gelukkige zekerheid voor u zijn, dat te weten, heer Bisschop. En met zoveel veiligheid moet het wel een tevreden bestaan zijn.’ Maar niets van de zakelijke degelijkheid die de Bisschop jegens de boekhouding pleegt te tonen, vindt Aron in diens bewijsvoering terug. Zal hij nu, van het werkelijke doel van des Bisschops woorden zeker, hem zijn deel afstraffing mogen geven? Aron is vol van de herinnering aan een woordgevecht tussen Christelijke en Joodse schriftgeleerden. Het was in Mainz. De Joden werden door een golf van zachtmoedige Christelijke bekeringsijver opgeroepen om hun Leer te verdedigen. Drie Rabbijnen onder de smaad van hun torenende Jodenhoeden, tegenover tien Monniken, allen met hun Pentateuch gewapend, en verder de Joden met hun overwonnen vrees. Uitdagend stonden de Christenen, met hoge nekken, vol hovaardij, waarin de ver