ge dan. . . Wij komen. . . Waartoe dan?’ vergeefse lippen -beweging. Aron ben David! Maar er was geen Aron ben David meer in Strassburg. Hij had zijn inlichtingen. Die verzekerden hem dat de Keizer onder enige grote huizen ook het zijne al aan een vooraanstaand bestuurder verzegd had, voor het geval de Joden gedood of minstens verdreven zouden worden. Daarop wilde Aron liever niet wachten, want het grote voordeel tussen die beide mogelijkheden zag hij niet in, maar wel de betrouwbaarheid van de Keizerlijke toezegging, het loon voor de steun van de Poorters die voor Karei geen weelde was. Hij had gedaan wat zijn per brief in de ribben geporde vriend Michael in Trier had gedaan; tijdelijk elders onderdak zoeken. Elk van hen was bij zijn Bisschop ontboden. Michael in Trier had op de zachtmoedige uitnodiging, zich te laten dopen, de bedenktijd gevraagd die Bruno’s voorganger eens zijn arts had toegestaan, maar Michael had voorlopig de wijk genomen, nadat hij, tijdens het verslag van dat onderhoud aan zijn vrouw, ook die paar Bisschoppelijke woorden vermeldde die hij onderweg voor zichzelf niet had willen laten gelden. Het waren de woorden waarmee de Bisschop weifelend te kennen had gegeven dat hij zo weinig gewapende macht bezat tegenover een volksmenigte die de Joden zou willen overvallen. Het gezicht van de vrouw dat in bitterheid samentrok bij de felle blik die de blik van haar vader Daniël was, had hem gedwongen de volle waarde van die inleidende opmerking te erkennen, terwijl hij haar meelijdende geringschatting voelde voor de ontwijkende Talmudist. Alleen opzettelijke verblindheid uit vrees kon die woorden voorbijgaan, die immers uit de monden van het merendeel van het Christelijk Gezag de aanvaarding van en soms de ondersteuning van het volks ge weid betekenden. Er waren Joodse vrouwen die van 1096 hadden geleerd, niet met man en kinderen op de Schemel te blijven zitten, tot de dood onafwendbaar in de deur-opening stond.