niet rekenen. Er is geen verstand, en er is enkel boosheid.’ Als een waar leraar die met zijn volgelingen bevriend is, eindigde hij zijn les met een van de vele ‘Schwanke,’ die de Joodse blijmoedigheid in de zelfverdediging plachten te onderhouden. Een bekend woekeraar had een Predikende monnik een goudstuk gegeven, opdat hij zijn hart zou ontladen tegen de gruwelijke woeker in zijn stad. De monnik was flink van leer getrokken, maar later vroeg hij de gulle gever hoe dat nu mogelijk was dat hij voor het bestrijden van zijn eigen zonde zijn goud kon afstaan. De gever had verrukt gelachen. ‘Wel/ zei hij tot de monnik, ‘ge hebt mij een grote dienst bewezen. Mijn mede-woekeraars hier zijn geschrokken van uw bedreigingen, zij zullen voorlopig geen geld tegen rente uitzetten. Maar ik! Het zal mij goed gaan, en ik dank u.’
Hij had de eerbied en hij hield ze. Tot in de poort van Strass-burg. Toen zij zover waren, en Aron ben David wilden spreken, kwamen stadsknechten op hun wagen toegelopen en hielden hen aan. Zij waren vol van het voornemen, de grote Factor mee te delen dat zij onder Michael in de Lening van de Hertogin meegingen, en bijaldien zij er zeker van waren dat Aron die boodschap met vreugde en trots zou aanhoren, zouden zij stellig toezegging van hem krijgen voor nog meer eer en profijt in vele van zijn belangrijke ondernemingen. Daarom keerde zich de wereld in hun verbeelding het onderste boven, toen zij vernamen dat zij Strassburg wel binnen mochten, maar zouden worden weggevoerd naar de Jodenwijk, te hunner bescherming. Want zo wilde het de goedgezinde stadsraad. Hun verweer kreeg geen ander antwoord dan een paar geruststellende woorden, en die liepen, door de lucht, als vage onverwerkte sussingen op hun ontdaanheid in. Alle Joden van Strassburg werden zo tegen de woede van het volk in beschermende bewaring gehouden; zij mochten hun woongebied niet verlaten. De drie reizigers stotterden hun vragen: ‘Hebt