De twee anderen knikken als een bewijs van goede ontvangst; het doet er niet toe af het aannemelijk is, maar het is het wel, want Jacob schijnt uitstekend aan hun levens-orde en belangen te hebben gedacht, maar het is in elk geval een spel. En het spel gaat nog verder, want nog verder hebben de Thora-lezers verklaard en geknutseld, zoals zij geslachten lang geknutseld hebben in alle rang-orden van de menselijke scherpzinnigheid: wat is het bewijs voor de stelling en wat het bewijs voor de goede beschikking op Jacobs vooruit zorgend verzoek? Joseph werd aangezegd dat zijn vader Jacob ziek was. Van toen af moet het dan zede geworden zijn (de geleerden waren en zijn daar zeker van) om de niezenden toe te roepen: ‘Gezondheid!’ en ook ‘Le-chajien!’ ‘ten leven!’ — Nu zij dan blijkbaar niet ongevoelig zijn voor de verrassende tekst-verkla-ringen van Charitz uit Zalt-Bommel, wil hij nog even terugkomen op het Boze Oog, een onderwerp dat hun nooit onwelkom is. Nu dan, ook de Talmud geeft een bezweringsmiddel aan tegen het Boze Oog: men moet uitspuwen voor de bezitter van die onderscheiding. Maar het is ook goed dat men zijn rechter duim vastneemt met de linker en omgekeerd, en dat men daarbij dan zegt: ‘Ik, die en die, zoon van die en die, ben nakomeling van Joseph, aan wie boze ogen geen kwaad kunnen toebrengen.’ Fantin en Kalman luisteren geboeid, hoewel zij betwijfelen of de Talmud als bron hier wel juist genoemd werd. ‘En wie zelf het Boze Oog heeft,’ eindigde Charitz, want ook daarvoor schijnt gezorgd te zijn voorzover zo’n ongeluksvogel aan Talmud en Overlevering waarde zou toekennen — ‘hij moet aanhoudend op zijn linkerneusvleugel kijken, om zo zijn blik in toom te houden voor zijn medemens.’ Dat trokken de beide reisgezellen zich niet aan; zij geloofden zelfs niet dat zij ooit met zoiets afschuwelijks ter wereld hadden kunnen komen, en waren in geen geval van plan, zich voortaan te gedragen alsof een eigenzinnige vlieg blijvend plaats had ge