afwerend op voor Kalman’s noodhemd met een bizonder stel schouwdraden, dat de geborduurde helm en de duivelskop bij de Christenen vervangt. Maar zij zitten spijtig omdat zij het zich niet verzorgd hebben: zijn er niet grote geleerden die het op zulke dagen dragen? Het geldt tegen overvallen, en die zijn niet denkbeeldig hier (zoiets te bespreken met een lieve vrouw is een warmte in het bestaan die gelukkig maakt). Laat de spin zitten die in het bovenhoekje van de wagen als een kleine roofridder zijn web heeft gespannen, voor de drukke toeloop van met hun vet en bloed puik betalende dolers: de Spin heeft de brand in de Tempel veroorzaakt, want een Midrasch zegt: het Romeinse Rijk is de Spin, en men weet niet precies of het beestje nu eerbied afdwingt of angst. De zwaluw daarentegen mag men ook niet aanraken (en de vogel vraagt daar ook nooit om), hij heeft de brand in de Tempel geblust, hij beschermt tegen het vuur. Over nog meer ‘Midraschiem’ schenkt de laat-winterse tocht in de halfopen koets uitwisseling van lekenmeningen. Want de uit gezette kop van Kalman slaat aan het niezen en er wordt niet alleen ‘gezondheid’ gewenst, maar ook ‘Een goed leven!’ Charitz speelt daarbij ook een keertje de leraar met te vertellen (in de hoop dat zij het nog niet weten of anders zo welwillend zullen zijn dat te vergeten) dat het hier niet om Christelijk of Heidens bijgeloof ging zoals Kalman had vastgesteld, alsof men gezondheid wenst omdat het niezen het sein kon zijn voor het losbreken van boze geesten. God moge behoeden tegen bijgeloof dat men van de Christenen zou leren. Neen! neen, in de ‘Midrasch’ staat, dat de mens vóór onze aartsvader Jacob geen ziekte kende. Men nieste en men was dood.
Toen heeft Jacob gebeden om een waarschuwend teken voor het levens-einde en wel, en wel (de stem daalt weer en de klemtoon zwelt tot plechtigheid) op zakelijke gronden, ‘opdat men de regelingen kan treffen die nodig zijn.’