Avondland, als een brede wolk van vergif de ademende monden van de volkeren binnen. Zij zogen hun vernietiging door de kelen naar het geheimzinnig gebleven ingewand; de blikken staarden vreemd naar de ruimte waarin zij elk uur tevoren vrolijk hadden geleefd. Een rilling van kou greep hen en deed hun uit- en inwendige lichaam schudden alsof zij in een bevroren twijg veranderd waren; of hitte als een stoom scheen hen te zullen verstikken. Zwarte builen als rottende zwammen groeiden snel uit buik en borst naar buiten en ontbonden ze onder onmogelijk gedachte krampen. In de woningen plantten ontzetting en angst de onderlinge afschuw: artsen, van hun onmacht bewust, weigerden te hulp te komen; vaders, moeders, kinderen, broers en zusters, met hoeveel genegenheid verbonden, deinsden van eikaars aangetaste vlees in de vlucht, en lieten elkaar in ontzielende verlatenheid kre-peren. De lijkendragers vielen neer na hun dienst; de kus van een vrouw was een moord, de handdruk van een vriend, een hartelijke schouderklop, maakten het uur tot het laatste welgevallen van het leven dat in de pijnen verscheen als een geluk waarnaar de veroordeelde vergeefs terug bleef worstelen. En de weerloosheid was volkomen. Waar de moedigste artsen de woningen betraden, gedreven door een saamhorigheidsbesef zonder hoop, of louter om de waardigheid te handhaven van hun ambt, daar waren dappere monniken hen voor. Beiden zetten hun leven in voor de redding van een lichaam, de een, de ander om de ziel te bezorgen. De monniken hadden de geneesheer in zijn middelen te bespieden, en te remmen in de toepassing van zijn kennis. De Kerk hield de Hoge Scholen onder voogdij, en bejegende de heelkunst van de Grieken op de grondslag van de Wetenschap uit het Oosten, met haat. De artsen hadden alleen voor het lichaam aandacht en bedoelden niet de geest te verzorgen. Vervolging trof hen, als zij niet bij het binnenkomen in het ziekenvertrek als eerste onderzoek