uiterlijke wellevendheid van de geleerde. Mogelijk dat die stille waarschuwing toch ernstig gemeend en goed bedoeld is? Maar als het dan geen listigheid is van een gedoopte Jodenhater of een voordeelzoeker, wat valt hier dan wel te waarschuwen? Tegen een gevaar dat elke dag leeft, maar dat dan ook mannen als Aron en hem, Michael, ertoe gebracht heeft, zich bij de machtigen onmisbaar te maken?
Zoals het geld nodig is voor de gang van ’s wereld bedrijf, zo is het ook ondragelijk dor en onvruchtbaar in de geldkist, en dus moet het geplaatst worden. Hij wil zijn deel verschaffen, maar hij stelt er prijs op, een paar onderverdelingen te maken, en daarover zal hij zich met Aron verstaan. Peter verschoof zijn onlust naar een geduldige achtergrond, en zijn plan, dat hij niet mislukt kan achten, naar een volgende, misschien naar de laatste ontmoeting van de overeenkomst.
En een paar maanden briefwisseling volgden tussen Aron en Michael. Op enkele Nordlingers na die de Hertogin blijkbaar niet voorbij wilde gaan: geen kleine deelnemers, zo eiste Aron. Wat wilde Mar Michael dan? Ooms? Achter-ooms? Uit Gelre? Wat was dat, Gelre? En nog meer kruimel-bankiers? Als men eenmaal een plaats bezit als hij, Mar Michael, moest men die niet besnijden als een Koning de munt. Als Michael volhoudt met te antwoorden dat men de ijverige en Godvruchtige Joden moet helpen en dat het wet is geworden, ook op deze wijze voor bloedverwanten op te treden, en dat bovendien immers het geld ook gedeeltelijk uit kleine beurzen afkomstig is, dan komt er een driftig bescheid. Of de zee, vraagt Aron, een machtig water is ja of nee, of dat men daarbij aan de gootjes moet denken die erin uitstromen? En of de Koning geen andere zorgen heeft dan die om de blaasbalg van de smid? Aron ziet het ogenblik al komen, waarop Mar Michael met honderdvijftig Schnorrers en twintig potsenmakers in een Lening gaat, en het geld van de bankiers blijft roesten in de