Het antwoord moet de vertegenwoordiger treffen:
‘Er zijn vaak Christenen van loodsen huize, maar wij, Joden, dragen hen geen voorkeur toe.’
‘Dat kunnen zij ook niet van u eisen, maar zij kunnen u genegen zijn.’
‘De één wel, de ander niet,’ pareert Aron kalm, ‘daarover kunnen alleen de Joden zelf beslissen.’
(Ja, als hij een Lening komt voorstellen, waarom doet hij dan alsof hij ze wil ontraden? Wil hij ze bij een ander plaatsen die een ruimer geschenk zal geven?)
‘Gij komt mij die Lening voorstellen.’
‘Dat is mijn ambtelijke taak.’
Juist. Maar hij heeft anderen op het oog en wil hier tegenzin wekken. Wel, een aardig spel. Aron van Straszburg is evenmin gierig als dom. Hij zal hier in Straszburg niet blijven wachten op de messen van het gepeupel, en dat hoeft een knaapje dat misschien gedoopt of de zoon van een gedoopte is, hem waarlijk niet met zoveel woorden als knipoogjes te vertellen. Hij zal Michael en Zorinne en de anderen erover schrijven, ja, ook als de Heer zelf naar Trier gaat, in elk geval. Het Pand is goed, omdat het met zijn hoedanigheid waarborg kan zijn. (En overigens is alles wagen, of het nu wél of niet rustig is onder het volk, ‘overigens’ zoals het Heertje nog gelieft in te lichten, want gij en uw meesters zijn onze doodsvijanden, en wij moeten toch altijd met u handelen. En ga nu maar, klein zwijn.)
‘Als de Heer het goed vindt (met een lichte hoofdbuiging) zullen wij bij het sluiten van de Leenbrief de moeite van de Heer vergoeden, zoals gebruikelijk is.’ Met dezelfde blik van ingehouden verachting en mistrouwen laat hij de vorstelijke boodschapper uit, die niet anders weet te vinden dan een misverstand dat hij nog steeds van geringe diepte acht. Hij reist naar Trier, waar Michael hetzelfde doet, met nog meer