272
De ouwe had hem gezien, heelemaal, alles. Toen draaide hij, schuifelde achteruit en op zij, om zich in te houden. Maar hij kon niet meer en hij schokte met schouders en hoofd aan 't schreien. Moos en Meijer namen hem bij de schouders en wilden hem troosten. Jette was met haar moeder bezig.
Zacht trokken ze hem achteruit, wenkten elkaar, hem even naar binnen te brengen. Hij voelde zijn kracht wegmatten, zijn wil verslinken, alle verzet machteloos gebroken. Een macht — hij herinnerde zich niet dadelijk wélke — had dat alles gedaan, hém met zijn ouden wil neergedrukt, oversnauwd en gemarteld en tot slaaf gemaakt. Hij snikte zacht, zag zijn vrouw door Jette en Naatje in 't rijtuig geholpen en dribbelde willoos dien kant uit.
Sam, die met Fietje binnen was geweest, kwam naar buiten, verwonderd, niet begrijpend waarom ze hen nog niet gehaald hadden om hen in te doen stappen.
„Wat is d'er te doen?" vroeg-ie, „woar blieven jullie toch?"
„Stille, stille!" suste Moos, „wacht even!"
„Wat is d'r dan?" riep Sam, „giet Vader niet in de koetse? goa we niet weg? wat is det toch?”
Ouwe Beem hoorde Sam's stem, en zag op. 'Hij merkte weer zijn bruidegomstooi, zijn domverwonder-de gezicht, hij verstond zijn aandringen. Toen bruisch-te plots een hatend verzet in hem op, een voor één oogenblik uitberstende wraakzuchtigheid om zijn knechting. En hij had Sam als een walging vóór zich, Sam, den bruidegom met zijn feestgezicht, en zijn glanzen zwarte pak met zijn bloem, zijn witten bruidsknop; en hij kón het niét dulden: hij kon de domme dier-zelfzuchtige feestelijkheid van den een niet zien bij den tot stervens toe hem beroerdenden ondergang van den ander; hij kon Sam niet zien als onnoozele bruidegom vol domme verwachting, nu hij daareven, zijn eenige genegenheid nog, zag in de klagende, kermende