263
zou-ie hem maar terug kunnen laten gaan naar de kamer. ... naar overal, dit heele huis door, maar hiér niet.... hiér niet. . . .Zou 't nou niet kunnen... zou-ie met zijn alles overheerschende verlangen dat ongeluk niet kunnen wegdringen uit zijn huis? —
„Doar hoéve ie niet te zuuken," zei-ie met afgewend hoofd tot den rechercheur, „doar zit toch niks in... . alleenig 'n bietien vodden.... de s mien lompepak-huussien. ..."
„Nou.... doe t’ maar even open.... we zullen zien...."
„Maar doar is geen lood!" hijgde Joop, „geleuve ie mien nou niet meneer? doar is geen lood. . . . in ’t heele schuurtien niet. ..."
„U is gewaarschuwd. . . . maakt U ’t open. ... en anders moet ik 't open laten brèken. ..."
Een droge snik hikte door Joop's keel en Grietje stond met half tot daden opgeheven handen, terugschrikkend en wegslikkend, al maar wegslikkend haar kloppenden, zwoegenden angst.
Joop haalde den sleutel uit zijn zak en stak die in 't slot. „Och," stamelde hij machteloos, „och, och.
Stil bad hij, dat ’t er niet meer zijn zou, dat het door een wonder toch wég mocht zijn. Maar hij moest voortgaan; hij kon niet ophouden met bewegen; de deur moest los, moest naar binnen geduwd worden en de rechercheur met den vooruitdringenden agent stonden al in het schuurtje. Daar, links, lag het. . . opeengestapelde looden pijpen. . . .
,,'t Is in orde," zei de rechercheur, „ik leg beslag op dat lood. — Peters he'j 't gezien? haal even een karretje. ..."
„Nou. . . . oók goed," zei Joop, als nukkig tegen een eigenzinnige vergissing.
Dofzwijgend zagen ze ’t lood uit het schuurtje dragen; het was hen als een begrafenis, even geluidloos en even onverbiddelijk.