260
de gevangenis, jaren achtereen, als voor z'n heele leven wèg van alle sjofelste geluk.
„Zóó," hoorde-ie den rechercheur zeggen, „zóó, déze persoon — nou dat moet dan maar even gebeuren. . . . dan moet U maar even met me meegaan....”
„Méégaan?” hijgde Joop, „waarvoor meneer...." „Voor 't lood. ..." zei de rechercheur kalm, „U begrijpt toch wel, dat 'k even huiszoeking bij U doen moet? die zaak moet onderzocht worden. ... en dadelijk, gaat U maar eerst even mee naar 't bureau. „Ikke....?”
„Ja, U meneer, wie anders. . . . houdt U me nou niet an de praat, en ga maar even met me mee. ...”
„Omdat die man dat nou zegt?" hokte Joop. . . . „moet ik daarom van m'n goed weggaan... . ?"
„U gaat mee. ... as U d'r opgesteld bent, zal 'k een agent bij U goed laten oppassen.. . . nou, vooruit.
„Ik heb niks in huis...." wrong-ie uit zich, „wat wil U toch van me meneer. . . . woarumme goa'j dan niet bij die man noar huus. ... ik geleuve toch, asdat die man meer bij de pelisie bekend is as ikke. ...”
Lion Rosenstein zag den anderen kant uit, terwijl zij spraken, met handen in zijn zakken en gluiperig opgetrokken schouders, beweegloos, met den rug ook naar de kijkende, meerderende menschen. Hij had over 't vreeselijke van wat hij Joop aandeed niet nagedacht, maar zoet-gelukkig, brandend-heerlijk was hem zijn wraakje aan een der met hun slechtheid en gevangenisstraf altijd treiterende armeren.
„Och maar meneer," barschte nu de rechercheur Joop toe, „wat heb ik nou met U praatjes noodig. U hoeft mij niet te verzekeren wat U wèl of niet in huis hebt, en of deze meneer wèl of niet bij de politie bekend is... . U is verplicht met mij mee te gaan.... ik gelast U dat te doen. ... as U niks verdachts in huis hebt, dan hoef U ook niet tegen te spreken, en nou hoop 'k dat 't uit is, vooruit nou. ..."