259
„U moét zeggen," dreigde de rechercheur, heet op de afwikkeling van het gevalletje, die hem bevordering en bevrediging beide moest brengen, „anders gaat U maar mee naar 't bureau, want ik heb per-sonsie opu. ..."
Een troepje marktlui met nog anderen, allengs erbij gekomen, waren langzaam vooruitgedrenteld en stonden nu zonder een woord, door de politiezaak verschrikt, bij Lion te luisteren.
Maar Rosenstein, die dadelijk voelde, dat zij hém verdachten, misschien plezier zouden hebben van een nieuwe gevangenisstraf, draaide zich opeens met zacht-warm wreekgenot in de halfopen oogen naar den rechercheur en zei: „Hoor is meneerr. ... ik zegge all. ... vanzellef. ... ik mag niet beschuldigenn.... ik ben geen gerechstdienaar, ik ben niet van et gerecht.. . .... maar a'j bij déze persoon, bij déze persoon," wees-ie naar Joop, die, beweegloos, met groote oogen, als achter een gaas, hem stond aan te hooren — „a'j bij deze persoon in huis gaat kijkenn.... dan is 't wel mogelikk. ... zie je, dan is 't wel mogelik da'j wat van je gading vindtt
Als met zware slagen stom en lam gegeeseld stond Joop bijna wankelend van beving, vóór hen. Hij voelde het nu, duidelijk; öm hem was de diepe kuil in een kring gegraven; het was er opeens, ontzaglijk, om voor weg te duiken, donker, moordend, onontkoombaar: het ongèluk.. . . Hij kon zich niet bewegen en niet spreken, zijn denken kon zelfs den wereld-grooten haat tegen Lion, den haat om hem ineens, met één klap, dood te slaan, niet bereiken, zoo zwoegde de drang, om alleen nog maar te ontkennen, hardnekkig te ontkennen zóó dat men het niet zien zou, ginds achter in zijn huis. .. . het lood, het halve karretje vol lood. En tóch. .. . hij wist 't zoo zeker nu: het zou gebeuren, ze zouden ’t zien, en meenemen en vérder.... al wat verder kwam ... .de vreeselijke helerstraf. ... de verschrikking van