252
kansje te overwinnen had, om zich dadelijk, bij 't terugkomen, heerlijk vrij en om te zingen gelukkig te gaan voelen. Waarom had-ie 't in z'n huis genomen? Nooit toch had-ie, niet uit eerlijkheid, maar uit angst alleen, ervan willen weten; hoe had-ie zich dezen keer kunnen laten verlokken door dat vervloekte beetje winst. . . .? altijd toch zat er ongeluk aan, altijd toch liepen ze ermee in.
En hij bedacht opeens de zekerheid van 't gevaar, zich banger herinnerend dat den Vrijdagmorgen na 't inkoopen, Lion Rosenstein, die hem anders niet meer toesprak, omdat hij hun brutale dieverij had rondverteld en niet meer bij hen afleverde, langs hen heen was gegaan op straat en toen gluiperig-aarzelend terugkomend, gevraagd had: of-ie niet 'n goedkoop zeugien lood gisteroavend ad 'ekocht? Die boef wist er zeker van. . . . men was er misschien mee bij hèm geweest, en terwijl 't Rosenstein te gevaarlijk was, had hij zich 't ongeluk zoo in huis gehaald.... Nee.... 't Moest weg. . . . het moest de deur uit. . . . het moest het water in... .
Maar telkens dan had-ie weer de onmogelijkheid daarvan gevoeld; eerst de aarzeling van de keerende verlokking der zeldzame verdienste, waarvan ze nog jaren later, als van een gelukje, zouden spreken; eindelijk het stiekeme genot van de onnoozelheid der politie die bij z'n vader in den vleeschwinkel naar een partij lood had gezocht en aan zijn uitdragershuisje niet dacht. Hij zou 't dan maar stil achter laten liggen, zonder een woord, zelfs niet tot z’n vrouw, aan wie-ie dadelijk bij 't koopen gemaand had, er over te zwijgen, en die, als-ie haar te bang maakte, in haar zenuwachtigheid wel verkeerde dingen kon doen. Dan vanavond, na eten, gauw even op den trein ermee en 't af leveren, wèg. .. . terug met 'n dikken broekzak en koffie met koek en lachen over de goocheme politie. Och kom, onzin. . . . die smerige Lion Rosenstein wou