250
En dan gaan ik naar de Breestraat loope Bij Pruikemaker mèt zijn bril,
En daar kan ik van alles koope,
Daar kan ik nog krijge wat ik wil. . . .
O Boekie Boekie Boekie
Naar de Kerkstraat op et hoekie. . . .
Daar gaat de weed'we Diamant
Met 'r parresol in de ééne hand
En ’r afbetalingslboekie an d'andere kant. . . .
Het naspel juichte uitgelaten omhoog de karkassige viool uit en Fietje holde onder 't gelach van 't publiek, dat 't éenig had gevonden, zoo écht iets uit Amsterdam — 't tooneeltrapje af naar Sam.
Druk dooreen woelden de groepjes nog even, tot een paar lange tafels op schragen waren klaargezet, witgedekt voor 't souper van brood met vleesch met bier of thee. Maar eerst kwam nog Kan de rabbijn op, sprak de stil-geworden feesters toe over de beteekenis van Poerim, herhaalde de geschiedenis van Mordechai en Ester met Haman en Ahasverus, en wenschte hen toe zich ook 't laatst van den nacht te vermaken.
Dan zaten zij aan en soupeerden lachend en joelend ondereen, terwijl telkens een van tafel opstond, stil naar de bode of z'n vrouw liep, om heimelijk z'n fooitje te geven. Maar na het eten begon weer de piano met de viool te spelen, en vierden zij het minder officieele bal, wat luidruchtiger nu dan vóór middernacht.
Tot de morgen den meesten de wrange nadering van den werkdag toeplaagde, dansten zij, in al minder groepen, nog om en om, al roeziger en slaperiger; in het kinderlijk geluk van voor één keer deftig feestenden. Dan gingen eindelijk ook de laatsten, moe en on-gemerkt-weemoedig weer loomend naar het komende dagenleven.... och, 't was niks, niks.... me zag er wel's lang naar uit. .. . maar 't was gauw weer voorbij . . . .voor lang, tot Poerem over een jaar. . . .