249
Stopte n'et in haar hoepelrok!
Sjieje Mok die wou niet h èbb e - hèbbe-hè)bbe, Dat ze hem d’r voor betaalt. . . .
Want den avend van te vöre-vöre-vöre,
Had ze hem zoo goed onthaa-aald, ■
Had ze hem zoo goed onthaald!"
Haastig, met den grijzen kop omlaag naar zijn viool, kratste Biet het nog eens over, van Sjieje Mok die geen geld wou aannemen voor de wam, omdat-ie de vorige avond door Naatje de Jong zoo goed onthaald was.
Grinnikend om het heerlijke hekeldicht, klapten allen in de handen en bespraken luidruchtig 't echt-moppige van de voordrachten. En dadelijk schreeuwde Naatje haar zuster toe, dat ze nog van de Weduwe Diamant moest zingen. Biet, Amsterdammer geboren, herinnerde zich 't in zijn jeugd algemeene spotlied op het vrouwtje dat met haar eeuwigen parasol zoo sjofeltjes pochte en pofte en op alle koopjes uit moest zijn, om tobberig-netjes rond te komen. Hij lachte en speelde, uitgelaten in zijn oolijke herinnering, dadelijk de wijs, waarmee hij Fietje zoo vroolijk maakte, dat ze opeens met een lichten sprong naar voren liep en door 't verschateren der eerste regels, tweemaal opnieuw beginnen moest:
O Boekie Boekie Boekie. . . .
In de Kerkstraat op et hoèkie.. . .
Daar woont de weed'we Diamant,
Ze draagt een parrèsol in de hand. . . .
En de dochter draagt blonde krulletjes, En de moeder koopt dooie schelletjes Zoo doet de weed'we Diamant Met 'r afbetalingsboekie in de hand. . . .