248
Een Kristenmeid diende laatst bij Jode,
Die haar alle goeiê gunste aanböde,
Maar op een dag viel ze n'in 'het mellekvat,
En maakte zich et heele lichaam nat,
Ze gingen gauw naar de Raaf om raad te vragen,
De Raaf die zei — ik moet je wel beklage. . ..
Ik beveel je dat je n'et mellekvat wegsmijt,
De sjikse mag je nog gebruiken 'n heele tijd. . . .
Ik beveel je dat je n'et mellekvat wegsmij-ijt. . . .
De sjikse mag je nog gebruiken 'n heele tijd,
jóu jou!
Onder het hoeraënd geroep liep zij schaterend, nog vóór de ouwe Biet ’t refrein had nagespeeld, het trapje af naar Fietje en nam haar, om de aandacht van zich weg te nemen, bij den arm, om haar naar 't tooneel te brengen.
„Nou jij," zei ze, „vooruit. ... de geschiedenis van Naatje de Jong. ... en óók van de Wedewe Diejemant, je bent ook Amsterdammerin. ... je mag niet de heele avend zóó blijve zitte, alloh!"
Lachend en dollend liet Fietje zich, terwijl Sam zegepralend rondkeek, of ze wel zagen, dat zijn meisje voordragen ging, naar 't trapje brengen en sprak over de wijs met Biet, die er wel wat van maken zou.
„Nou, vooruit dan maar," zei ze en tastte naar kapsel en kleeding, wat verlegen in 't begin en met kleine aanstellerig-gracieuse beweginkjes haar onhandigheid wegspelend.
„Eerst van Naatje de Jong," zei ze, „da's 't kleinste, vooruit."
De violist sneed een paar tonen, als een op alles passend voorspel, vooruit en dan zong ze:
„Naatje de Jong, die was geköme-köme-köme,
Bij de vrouw van Sjieje Mok!
Had ze n'een onsje wam genöme-nöme-nöme,