247
bedacht, vanaf het tooneel, „oja. . . ., nou, zing jij dat dan maar eve."
„En van Dièjemant ook, je weèt wel," zong Fietje kleurend, wijl door allen aangezien nu, „dat spotliedje op de wedewe Dièjemant!"
„Moet jij zingen," riep Naatje, en zachter tot den violist meteen: „Dan zal ik nog effe doen van de Koschere Resteraasie, dat ken je toch wel, niet Biet?"
Biet nikte onderschattend: Verheel je, dat zou-ie niet kennen! Haastig speelde hij vóór, de melodie bij 't publiek introduceerend.
Naatje voelde toen aan haar kapsel, dat wat los dreigde te gaan van haar beweeglijkheid, en begon dan, terwijl zij op haar rokken sloeg om als fatsoenlijke vrouw de uitgelatenheid te spelen — kóm, als 't feest is, dan mag alles. . . . da's juist 't heerlijke — te zingen:
„In een koschere Restauratie daar zat Zélik,
Hij nam de lepel in de hand en hij keek leelijk,
Want toen hij de soep kreeg in 't begin,
Lag er een stuk — van een vuile vaatdoek in; Owaai — owaaij. . . . wat zagen zijne blikke,
De waard die zei, och wil er niet van schrikke.. . .
Voor je vijf en dertig cente met fatsoèn. . ..
Kan ik er toch geen heèle winterjas in doèn. .. .
Voor je vijf en dertig cente met fatsoè-oèn. .. .
Kan ik er toch geen heele winterjas in doen,
jou jou!"
Gelach roesde golvend van rij op rij de zaal door t applaus vooruit, waarvoor Naatje, nadat de violist t refrein nóg eens over had gehuppeld, met lollend-overdreven buigingen dankte. En weer zette de kratser in, voor 't tweede couplet, waarvoor zij dichter naar voren kwam geloopen, als eén Buhne-zangeres zich buigend over den voetlichtloozen tooneelrand naar het publiek: