242
in een huis waar vrouwen zijn, „ja, ja, god. . . . van zellef. .. . meneer kan det loaten doen wanneer-ie wil, maar.... ik bin hier nou op 'n bal. . . . van onze ver-eeniging, ja, als u d'r nou op staat. . . . maar liever niét van zellef.. . . Morgen kan u komen zoo vroeg as u wil. . . . u mag ook gerust iemand laten wachten totdat ik hier vandaan kom
„O, nou, dan morgen maar," zei de rechercheur wat goedmoediger, en krabbelde in zijn boekje, „nou.... goeienavond."
Zuchtend van ontspanning, ingehouden-blij, dat-ie ging, liet de ouwe hem uit, sloop dan zoekend de zaal weer in naar Joop. In maanden had-ie z'n stem niet gehoord, sinds den morgen van z'n verjaarfeest in Sjoel, maar hij rekende Joop, ondanks diens verbittering door de nederlaag, nog altijd met een van hém geërfde mannelijke breedheid, waarin hij, ook nu nog. zijn vader gelooven zou, wegdringend de vies-kleine verdenkinkjes van vijandigheid. Bang was hij, de ouwe, om Joop; hij voelde zoo opeens alle schrikkelijke zwaarte van ongeluk-dreiging voor goed dicht bij hem, en hij liep zonder een woord de jongens voorbij, toen-ie Joop zag, recht op hem toe. Met een duw tegen zijn arm wenkte-ie hem mee te gaan naar een stil hoekje van de zaal en liep zelf zwijgend vooruit, door 't clubje luidruchtig vroolijkende menschen heen, die uitstonden te maken wie nu wat voordragen zou. Joop, die met tegenzin volgde, bedacht haastig wat 't zou kunnen zijn, voelde een prikkeling van verzet tegen ’t antwoorden. Wat had-ie nog met 't zeugien te maken? Ze konden noar de verdommenis loopen alle-moale, wat deed-ie met die smoes? Misschien wollen ze weer ies goeie vrinden worren, nou ze 'm hadden uut-ekleed. . . . nogh! maar ze kregen tóch niks uut ’m. .. . want al wat vader 'm zei, det kwam toch uut 't kokertien van de heeren van de firma. Al nijdiger werd hij onder 't voortdrentelen achter zijn vader aan, alleen