239
Toch was-ie blij zich door z'n vrouw tot gaan te hebben doen overhalen; 't was alle ontspanning die hij genoot en daarom had-ie eindelijk, na lang zorgelijk tegenspreken, ook voor -haar, maar toegegeven.
Met een krats en een pang staakten de spelers de walsmelodie, en onder schertsend geroep juichten allen- den krassen ouwen Beem toe met zijn dame.
In groepen drongen ze bijeen, roezend de zaal door en weer wat weghalend van de lange dientafels, om dat loopend en stoeiend op te knabbelen. Nu werd er om voordrachten geroepen tot afwisseling van het bal; een arm marktsohreeuwertje was de eerste, die 't tooneel opliep. Met zijn kiezentrekkerskeel begon hij in de zaal te roepen om aandacht voor zijn ouwen mop, maar kleintjes hielden zich de meesten voor 't voordragende hongerlijdertje terug. Een enkel rijtje stoelen alleen was bezet geraakt; maar telkens moest hij ophouden en opnieuw beginnen, ontstemd en onmogelijk gemaakt door het voorthinderend gepraat van de meesten midden in de zaal, die hem hun aandacht weigerden uit geringschatting. Met hoogrood hoofd hakkelde hij verder zijn voordracht af, pijnlijk teleurgesteld in zijn heerlijk verwachtinkje, zich te doen toejuichen door zoovelen, machteloos-grimmig tegen de minachting der meer verdienenden en daarom plots voelend al de vreugdig-heid van 't gelukkig-welkome feestje verzakt tot de alledaagsche, matte gebogenheid van het arme scharrelaartje naar den kost. Ouwe Beem, opzettelijk met z'n vrouw naar de eerste, nog staande stoelenrijen geloopen, had met de weinigen meegeklapt toen hij zuur-grappend had geëindigd. Geërgerd over die minachting der anderen, wou-ie weer teruggaan, toen de bode hem vriendschappelijk op den arm tikte en zich naar hem overboog:
„Wat is d'r?" vroeg-ie.
„D'r is iemand um oe te spreken, wi'j even komen?
„Hier?" vroeg-ie verwonderd, „is die hier um mien