231
toch terugkomen moest, wou-ie niet uren ver z'n goed gaan versjouwen of er op verliezen.
Een paar maanden slachtten zij voort, elke week met verlies, wijl ze tegen te lagen prijs verkoopen moesten. De 'boeren kregen hun geld dan niet en gaven geen tweede stuk vee. Zij zagen al, dat 't gauw zou eindigen, aten zoolang er was en in het loos genot van de machtelooze bevechting smoorden zij hun angst voor den onafwendbaar-dreigenden hongertijd. Allengs kwamen zij tot kleine hatelijkheden, schreven kinderachtige beschuldigingen op hun afslagbriefjes en riepen elkaar plagerijen toe, als de verloofden wel op de stoep voor den nieuwen winkel met veel vertoon van liefheid stoeiden in en uit.
Maar eindelijk was Simon de Leeuw zijn rijtje voorschietende kennissen langs geweest, en een Zaterdagavond in begin wintertijd al, was hun winkel weer naakt-droef van armelijke leegheid. Simon wiens haat al gauw door zijn onmacht tot wraak was neergenekt, lolde daarover heen z'n kwajongensonverschilligheid en zocht haastig een betrekking buiten de stad.
Zij zagen toen wel voor zich het onontkoombare einde van hun krabbelend slagertje spelen; zij voelden dat 't uit was; ze hadden 't verloren voor goed; beginnen was niet eens meer mogelijk.
Toen zagen, enkele weken later, 's morgens vroeg bij 't ontbijt, ouwe Beem en z'n vrouw door 't raam van de huiskamer naar den overkant van de straat en gluurden, gluurden, zagen elkaar aan, en begrepen eerst niet goed, wat zij misten. Zij brachten de handen weer boven hun oude oogen en drongen met hun kijken beter naar de huizenrij, zij meenden zich te vergissen, en begrepen dan eindelijk: bij Joop waren de gordijnen weggenomen.
„Wat is det. . . . wat is det. ...” hakkelde de ouwe vrouw zenuwachtig, en diohter drong ze tegen 't glas, liep toen naar 't voorhuis om beter te kunnen zien.