230
det was 't verdómde warrek. .. . dat-ie niet kón an-nemen, 'n bedelfooigien, woar ie toch geen slager mee bleef, en 't deed 'm zoo zeer, dat-ie ze nou niet in de zak had... . vijf gulden gekregen, det was méér dan honderd gulden handelsgeld. .. . wie gaf 't 'm weerumme.... wat bracht 'm zien drift in? Honger, honger, anders niks....
* * *
Moos' knecht, verbitterd wijl men hem aan den dijk had gezet, wou tegen de nieuw-gecombineerden graag concurreeren gaan, daar hij, ongetrouwd, voor volkomen ondergang bij verlies niet behoefde te vreezen. Mislukte hem de zaak, hij zou weer in dienst gaan, had dan nog evenveel als nu; goed eten en een uitgaansavond. Maar na de jarenlange knechtschap wou hij toch graag eens baasje zijn en eiken dag was-ie bij Joop gekomen, om z'n voorstel te doen tot samenslachten.
Eindelijk had Grietje haar man er toe overgehaald, en Joop, schoon stellig rekenend dat 't niets helpen zou, wilde het toch nog eens wagen, om er slager bij te blijven. Met Simon's crediet bij enkele bekende boeren koohten zij weer, en zij waren blij, toen den eersten avond in den lichten winkel weer vleesch hing.
Weer werd er gevochten toen, plakten zij briefjes voor de ramen, tegen de groote afslagbiljetten in van de overzij; liepen soms een eind de straat over de vrouwtjes na, om hun waar op te dringen en ze niet bij de vijanden te laten gaan.
Joop was blij, z’n voddenhandel nu te kunnen ontwijken; een walg was hem dat geweest, dat werken in roest en lompen tusschen zijn gewend geraakten sla-gersarbeid door, en 't afleveren van 't ingekochte goed bij de Rosensteins, die hem bestalen én bij wie hij