225
kleine bedeeling te brengen, had hij weer, als een zwaren wurgenden kerel, op zich neer voelen smakken die beangstiging van ellende en vervuiling, die hem telkens, als-ie de vergelukkiging ervan zocht in helpen met wat-ie had, strafte met een smartelijk-belachelijke machteloosheid. Om de nauwelijks gedekte tafel zag-ie de negen kinderen zitten wrokken met hun niet aan te zien, stukgekrabde klierhoofdjes, en gulzigend van de aardappelen- en vetmaaltijd, schreeuwden de groote brute monden de verwaarloosde vuilheden in de klein-bleeke, groenige oude mannetjes- en vrouwtjes-gezich-ten. De vrouw zelf, knokig mager en bleek, al lang opgebruikt, uitgeleegd, slokte en vrat luidruchtig door, voerend uit haar mond aan 't schreeuwende schootkind, en nu en dan benauwdjes vloek-fluisterend naar de kinderen, die maar smerigden en poepten waar de meneer bij was. In de hoeken en op de stoelen zag-ie de vervuiling van kleeren en huisdingen, opdrijvend door de kamer den zurig-benauwenden stank van beestig-achteloos aangeziene onreinheid. De vader alleen, met z'n pet achterover op z'n bruten zwart-ombaarden kop, had met eten opgehouden en hem geantwoord, pretjes makend over de kinderen zonder aandacht voor hun walgelijkheid, en na verergerend klagen over den uitputtenden feestmaaltijd, dankend voor 't gebrachte.
Eerst had Van Lier een minachting gevoeld voor den kerel, die zijn eenig geluk scheen te zoeken in het zinnelijk kinderenverwekken, gulzigend van zijn skelettige vrouw, zoolang er was — in haar vijf en veertigste, nü pas, had zij haar laatste gegeven — en dan zonder ommezien naar hun verdierlijking hen al minder mee-deelend van zijn overal weggehaalde verdienstetjes. Maar dan had hem de dadelijkheid der ellende weer de sombering van die eindelooze onmenschelijkheid van bestaan doen herlijden, en een krampige, ween-looze snikking wrong in hem öm bij 't doorvoelen van
Zoekenden 15