226
de lichtloosheid van 't leven dier kleinen, die weer al welkend, naast 't echte leven krimpend en kruipend op zouden groeien, verdierlijkend en vervuilend en hongerend als de grooten. De aan zijn weelderigheid vreemde, moordend-benauwende atmosfeer had hem eindelijk naar buiten gedreven, gepijnigd-onbesloten als altijd, met haat en afkeer en toch wetend weer terug te zullen gaan om te helpen. Nooit had hij z'n leven kunnen ordenen tot een rustig, vast plan van voorgoed overwogen deugdelijkheid, ombouwd van de krachtige stutten der uitgestreden redelijkheid, waarbuiten hij dan, gelukkig-veilig, niet noodig zou hebben te gaan. Telkens weer, staand in het assimileerend milieu van zijn provinciale intellectueelen, greep hem de drang tot teruggaan naar den liever-lijkenden atmosfeer van zijn rasgenooten, en na even neerneigen naar heur woeliger, heeter gistend leven, voelde hij weer afkeer van hun bewegelijken stilstand, hun kleinheid, hun ontaarding. Maar toch, maar tóch.... o, hoe leek hem uit hun midden soms een innigheid van liefkoozen toe te zingen; als een zoet heimwee nam hij dan in zich waar; het was of hun kleur, hun stem en gebaar hem opeens weer de echte levensschoonheid brengen zou, na de onbevredigende koudheid van zijn heeren-om-vriending. Op feestdagen liep hij wel, als in een plotse bezinning, de deur uit, ging de arme Jodenhuizen langs en gaf, opdat zij hun maaltijd en hun huisje feestelijk zouden doen zijn. Grooten Verzoendag — in zijn witte kleeren stond hij dan den heelen dag op zijn gehuurde synagoge-plaats, den eenigen keer van 't heele jaar, en bad mee, bijna vervoerd na twijfelend overwegen tot gaan.
Joop tastte geslagen-nederig naar zijn pet, toen hij bij hem stond, en naast hem voortging den kant op van Van Lier's huis. Eerst hakkelend, dan langzaam vaster sprekend, deed hij zijn vraag: of 't niet mogelijk was, voor eén maal honderd vijftig gulden te krijgen. . ,