211
kant, slenterde .hij naar binnen terug. Een gasvlinder-tje sidderde z'n armelijk-naakte tongetje boven de toonbank, 't winkelduister onmachtig belichtend. Voor één raam, bij de deur, weifelde met gebroken kousje, nog een lampje, half open, paarsig-blauw en met roodgele randjes onder ’t ballonnetje, zwakjes verlevendigend de kleuren van vleeschrestantjes en een halve krans vet. 't Rechtsche raam was donker gelaten; het gasarmpje hing er kil-dood tusschen de plankjes, waar twee, drie stoffige potjes mosterd uiteengezet stonden, en op het plankje aan ijzeren haakjes, twee aangesneden hoeken kaas. Dwaas van de gasvlam bedanst, zwierven voor hol-wijde plekken muurwit enkele einden van schraal-gelige vleeschbouten, blauw-roodrige pootstukken, rauwig en knottig aan de ijzeren roeden, lappen vet, eindjes worst met op 't bruingespikkelde darmhulsel grijze schimmelplekjes.
Grietje zat met het Nieuwsblad op haar schoot tusschen hakblok en ijskastje achter de toonbank, waar de vleeschschalen, een staande en een hangend, be-weegloos stonden van lange ongebruiktheid. Uit de kamer alleen klonk het wijs gepraat der beide grootere kinderen op, die in bed tot vrede waren gekomen en met lach-gilletjes en mal uitgehaal van met opzet verminkte woorden, elkaar verhaaltjes deden.
„Drei ’t gas wat op," zei-ie, ,,iè maken toch zoo oe oogen kapot?
,,0oh ja. . . . 'k zal 't doen," zei ze gemelijk.
Met pijnlijken gezichtstrek rekte zij zich naar ’t licht en draaide de kraan wijd open, tot de vlam egaler verstilde en zacht sidderend, den winkel klaarder verlichtte en ontspookte. Joop gaapte, wijduit z'n armen omhoog rekkend, z’n pet op z’n voorhoofd neerge-sohoven.
Na een speelschen ruk aan de bel van 't hekje gebogen rondgluipend den leegen winkel, kwam vrouw Davids binnen. Met den lach van haar groetnik om