210
ten tellend in elkaar's winkel. Met groote reepen car-ton voor de ramen bevochten zij elkaar, al lager prijzen noteerend, en weer met advertenties in de kranten, onder elkaar, hun scheiding publiceerend; uit sarlust smeten zij hun winst naar de klanten. Nu, sinds-ie nieuw geld gekomen wist aan de overzij, en een nieuwe winkel vol vleesdh z'n klanten, man na man, had weggehaald, was z'n moed ineengeploft; was, met het zekere besef van zijn minderheid, zijn vechtlust verstorven, en werd-ie 't eindelijk moe, zonder cent op zak naar boeren of markt te gaan om met enkel belee-digingen naar huis te komen. Grietje had hem vaak bemoedigend toegesproken, en telkens weer had-ie aangepakt, maar aan al wat verkocht werd, verloor hij. Toen was ook zij gaan zwijgen, sjofeler eten begonnen op te brengen, de Zaterdagen thuis gebleven en de kleeren gaan verpanden. De knapste meubelstukken, cadeautjes van de bruiloft, werden 's avonds laat hel huis uitgedragen, zwijgend, mokkend, zonder veel vertoon van verdriet. Langzaam begon-ie anderen handel te zoeken, partijen vodden, beenderen, oude metalen, dien hij dan 's avonds afleverde bij de Rosensteins. Toen-ie een poos tegen z'n zin, met hen gehandeld had, moest-ie ophouden met zich in prijs en gewicht brutaal te doen bestelen. Maar daar er geen andere afzetplaats was, moest-ie, om niet alle winst aan vervoerkosten naar buiten uit te geven, steeds opnieuw bij hen terecht of bij een van hun even hardstelende familieleden.
Elke dag werd stiller en banger; de kamers leeger, de winkel kaler, spraken zij eindelijk als met zachter stemmen in het doode huis, konden zij de kinderen niet dan met wrevel hooren schreeuwen. Voor elkaar bleven zij rustig, zonder verwijt of kijven, schoon mei minder woorden dan voorheen.
Loom, zat van 't kijken naar den levendigen over-