|OOP stond ’s Zaterdagsavonds voor de stille | deur heimelijk te turen naar den vollen | winkel aan de overzij. Lusteloos had-ie z'n 3 pet over de ooren getrokken; z'n schoone 3 jas was aohter onaangeroerd blijven liggen, z'n bruinrossige baard was, in den nurksohen tegen-lqop, al meer en meer verslordigd. Grietje had hem al eenige malen naar binnen geroepen: kleine Izakkie vocht met Vrouwtje, ze kon ze niet baas worden. Maar spijtig van zorg, prikkelbaar, had-ie teruggesnauwd: ze most niet an zien ooren liggen te donderen, dan most ze ze maar kepot trappen, as ze niet stille wollen wezen, maar hèm astoeblièft met rust loaten. Zij zweeg dan, tobde met de bandelooze kinderen, te ongeduldig als hij, om ze met liefheden stil te krijgen: van winkel-openen af met Sjabbes-uitgang, waren tot nu toe twee klantjes binnen geweest.
Aan de overzij was, in 't helle gaslicht, een levendig beweeg van witte mouwen bij koperen schalen voor de toonbank, waar, onophoudelijk aangevuld, een klit vrouwen met mandjes achter te lachen en te gebaren stond. Voor een klein tafeltje, dribbelde Fietje, hoog-gekapt, geld te ontvangen en gaf lachjes en vriende-lijkheidjes naar de klanten, telkens 't dialect stoeiend -zacht herhalend tegen een der mannen.
En altijd zag hij weer, even over de straatbolling heen, de twee rustende bovenlijven van Vader en Moeder, die elk voor hun raam de winkeldrukte zwijgend te beturen zaten. Boven de winkelramen was het bord met Vleeschhouwerij weggenomen en een van