204
Hij vond zich blij, haar voor 't eerst sinds lang weer eens te zien schreien, in het besef dat ze hem begreep, als in een oudste vriendschap.
Zij bleven zoo stil saam zitten, zwijgend in de door-neuriënde ontroering der vèr-geziene dingen, en om hun oude hoofden zoemde de droefenis van den levensavond. Het was of zij zich saam te buigen kwamen naar iets zwarts en dieps, dat zacht, sluw-lief helpend, hen neerhaalde, en waarin, als in een rust, zich willoos hun hoofden gevangen gaven.
Het leven «had hen den dag gegeven — dag van veel dooreenwirrelende wisseling: morgen van alleenen kleinen jubel, middag van kalm-berustend gedeelde vreugde en gebrek, schemer van veel opgejaagde rust.
Het bracht hen nu den avond, den laten, die wikkelde er zijn donkeren kap om hen heen, en dwong er hun moeë hoofden nu stil, en lei er hun willige lijven als kinderen neer. Zij woelden nu niet, zij woelden of bewogen niet; zij wachtten den spijs voor hun lijf en den drank voor hun lippen, die reikten met strak gebaar de jongeren naar hen neer. Naast hen rankten de jongeren op, sterker en sterker, en met nieuwen wil, maar grof en ruig, maar zonder zacht-bloeiende lichten of neuriën in hun lijf. De jongeren die stoerden en wrochtten, maar de oogen die schreiden niet en de stemmen die zongen niet zacht en hun gebaren waren hard en kort.
Zij mochten niet opstaan en veranderen, de oogen en handen wat zachter doen zijn, want hun hoofden waren gevangen in den avond, en hun handen zoo moè, zoo moè. . . .
* ¥ *
Moos en Naatje waren verhuisd maar even verderop; tot de bruiloft zou Fietje bij hen blijven. Zij scharrelde in den winkel, wandelde met de ouden, een enkelen