197
ontroering, tot in, vergeving smeekend, blanknaakte reinheid te treden voor den Eeuwige. Daarom, wijl zoo geheel goddelijk en al-omvattend, wijdt deze ontroering tot grootsten Feestdag den tienden Tisohrie; het is de hoogste Sabbath, en in de witte Synagogen brandt al wat licht kan geven lovend omhoog.
Daarna pas, vier dagen later, zingt Loofhuttenfeest, het oogstfeest ook, zijn mensohelijker vreugde de Joden rond. De Synagogen geuren weer van kleuriger tooiselen en in de groene loofhutten, (herinneringen aan die, waarin God Israël in de woestijn eens wonen deed, komen vrienden aanzitten bij de degelijk-weelderige tafels. Bevrienden, en met wie men zich Nieuwjaar verzoende, zendt men geschenken thuis in geurigen braad en kunstig vrouwgebak of wijn. Intieme vreug-digheid gaat met Loelof en Esrouk om, wilgentak en cederappel, symbolen van ’t eenvoudigste en 't fijnst-weelderige, alles aan God gelijk, wijl Hij 't met liefde schiep.
Vier tusschendagen, 'half feest, half werkdag, voorbij — de rijken houden feest, de armen werken, maar in de armste kamer wijst, in dien teederen kinderlijken greep der armen naar de vreugd, het glanswit tafelkleed op Jontef u —komt 't slotfeest met zijn tweeden dag, Vreugde der Wet, den vromen jubelen doen om 't Thora-bezit. In de Synagoge is dan de laatste afdee-ling der vijf boeken Mozes gelezen, en men noodigt twee paren, gehuwden, uit, de lezing te eindigen en weer te openen. Zij zijn de bruiden en de bruigoms der Wet en van Genesis. Er is uitgelatenheid in de Kerk; al zilveren sierselen van de Thoramantels rinkelen, zoo danst men met haar rond de Biemah óm en óm, met al de opgeroepenen, Loelof en Esrouik voorop. Herinnering aan ondergang droeft niet meer, men hoopt, verwacht weer. .. . Israël is nog groot; het voelt nog eigen schoonheid, en verheugt zich.
Goud-blauw feestten de herfstluchten, toen de Jon-