184
wang en ras dragend 'haar heet aanvoelende oogen, riep ze de gang in naar Miene, om open te maken.
Vrouw Zadoks kw;am binnen.
Ja, 'r man had ze maar thuus eloaten — kon die niét eventies op de kienders passen? ze moahten oók wat doen, de mannen. Wat nou.. . . was ze alleénig thuus, Jette? waren ze .allemoale weg-egoan. . . . wandelen? wel goddorie, en de gosen en de kalle ‘) oók weg? det was nou toch jammer... . nou kon ze niet ééns effenties de kalle zien. . . .
Met armen over elkaar stond ze in de deuropening, zonder mantel of hoed, zoo maar om even te felicitee-ren, van den geeuwenden man en de lawaaiende kinderen weggeloopen. Op het klein-ronde lijf, verdeeld in twee afgebonden proppen van vaalgroen, rok en bovenlijfje, slenterleunend tegen den deurpost, lachte, onder het neerstrepend bandeauzwart, het schuinende hoofd zijn eindeloos gemakkelijken leugen van rekkenden mondspleet en neerlievende oogen, die, toegelachen Jette langsvagend, droegen de gansch ongelijke wroe-ting van de ziek-belemmerde opgesloten kwaad-wroch-tende hersenen.
„Kom maar binnen tenminsten,” noodde Jette, en greep naar de deur, om die achter haar te sluiten. Zij was blijven zitten en met, uit den zenuwgreep van straks, tot vriendelijken plooi hard neergewrongen gezicht, en terwijl zij de bezeerde wangplek verborgen als in rust, met den zakdoek zacht drukte, zag ze naar vrouw Zadoks op:
„Nou, woarumme bi’j nou zoo kienderaahtig, ie kun toch tenminsten binnen komen? al bin zullie d’r nou niet
„Neè, nou ja," weifelde vrouw Zadoks, zioh zettend, „maar vanzellef hè? de’s nou niet omdadde iè mien
1) gosen en kalle bruidegom en bruid.