183
te maken, die zij hadden vuilgemaakt. ... Zij gingen de straat op, lieten haar thuis om den boel te verzorgen. Ja, ze konden wel buuten 'r. .. . ze hadden 'r liever niet mee, de mannen konden dan meer vuiligheden zeggen en de jongelui. ... de jonge lui. . . . die konden meer vrijen.... Ja.... de ouwere zuster werd al langzaam vervelend, nou ze over de veertig begon te komen. . . . niks voor jongelui. . . . bah! Ze waren toch maar gesjadjend. .. .ze hadden mekare toch nèt heele-tnoale één keer ezien. ... al lekten ze nou nog zoo hard. .. . gotweet hoeveule jonges of ze ehad had. . . . bah! o zakte 't huus maar in mekare!. ... Ze lieten haar toch maar verrekken?
Trampelend, haar voorhoofd bewrijvend van opgesloten woede, zat ze te ihoksnikken, met wijde oogen rondwilderend de kamerdingen. Toen — in een geknepen benauwenis, om iets te dóen, zioh ergens op te wreken, in de schroeiende, jagende haatsmart, die haar lichaam en handen geweldig dreef tot iets beuken of vernietigen, kreeg ze een als krankzinnige begeerte, zich te pijnigen, en ze greep tussohen duim en vinger een lap van haar wangenvel, en in hartstocht dof-kreu-nend van wellust, knèep ze, kneep ze met doorsnijdende nagels, dóór en dóór en heviger, in volle, dringende heete opkropping rond haar hoofd, tot ze van pijn plots losliet en met haar zakdoek de doorgeknepen plek bettend, moe zuchtend en hijgend, zachter schreiend tot bezinning kwam. Dwaas en wijdoogig, met de hevigste haatgromming in plotse afmatting verkoeld, staarde ze, nog met na-walgend verzet tegen 't stil-sarrende, wachtende werk, de kamer rond.
Opspringend schrok ze van den winkelbel.... had ze zóólange ezeten, dat ze doar al weerrumme waren? Haastig keerde ze zioh naar 't raam, 't rieten gordijntje hing voor de deur en de groote gordijnen waren neergelaten. Al bettend den pijnenden beet in haar