180
huis gegaan. Bij Oom en Tante waar Moos hen wachtte hadden ze toen verteld dat ze zich wilden engageeren. Thuis deden die knap-verwonderd tegen elkaar, feliciteerden en gaven bloemen, een uur van te voren al besteld. Moos zei onophoudelijk openlijke en dubbelzinnige izinnenhitsende grapjes, blij als met een lote-rijtje, en Fietje en Sam, schuchter, met een inspanning om hun vreemdheid-aan-elkaar te overmeesteren, gaven in ’t bijzijn der anderen de eerste bange kussen.
’s Avonds al, toen zij gearmd uitgingen, wijl Tante en Oom hun toestemming toch gaven, kochten zij verlovingsringen. En den Vrijdag daarna bracht Sam zijn bruid mee naar zijn huis, waar 's Zaterdags veel men-schen ter receptie kwamen.
Met kussen allebei, in grillenden tegenzin van een plotselinge en ongegronde vertrouwelijkheid gegeven en ontvangen, doch met geheel ongelijke gevoelens, hadden de ouwelui Beem met de nieuwe aanstaande schoondochter kennis gemaakt.
De ouwe vrouw had met scherp-onderzoekend kijken naar haar kleeren, haar wangen, haar oogen, gebaren en houdingen gespied, en al gauw werd dat een heimelijk afkeuren van hetgeen haar wereldsch toesoheen, en een tegenzin in haar jeugd, ’t Zol een praatsmaak-ster meèr geven in haar huus, dacht zij, een spotster meèr. .. . wacht maar, onderdrukte zij in haar verbeelding wat er nog ongeschonden jeugdigs restte aan het reeds grootendeels verlepte en vertrapte leven van de nieuwgekomene: waaht maar: al die jonkheid, as ze maar ies eerst kienders had, en as ze maar ies wat mée had ’emaakt, dan zol det wel óver wezen; dan was det drukke leven wel uut, al die narresche sprongen, al die lichtigheid; och, ze mocht 't toch niet zién, 't was maar treiteren, ’t was maar um de olden de oogen uut te steken; ’t was maar grootschegeit op de