179
rend toegelachen, en fhij, tuiten, .blij met ’t buitenkansje, dat hem 't angstige vragen vergemakkelijkte, fluisterde haar intiemer toe, „.dat <die juffrouw zekers vat in de ramen had.”
Toen zij bij Kras, waar het gebeuren zou, binnen gingen zitten, wees zij op ’t verdere Warmoesstraat-gedeelte en vertelde dat dat een gemèene buurt was.
„Daar kom je zekers nooit hè?" vroeg-ie.
„Bè-je mal,” zong ize, „daar kómt geen fatsoenlik meisje.”
Voor de leeszaal waren ze aan een tafeltje gaan zitten en dronken wat. Zij meden elkaar's oogenkijk, en hij deed of hij het groote koffiehuis rondzag, onmachtig tot in zich opnemen de veelheid der dingen, die hem verwarde. Na een poos zwijgend te hebben gezeten, bei voelend het aansidderen van het gezochte en verwenschte oogenlblik, had hij, toch nog bleek en liaht-blozend, zijn lang-overdaahte woorden gesproken. Ofde alléén weer terug moest gaan morgen....? of dat ze mééging.... hè?. .. . hoe. . . . hoe dacht ze er eigenlijk over. . .. ?
Zij had een kleur van schaamte voelen branden over haar zenuwachtige bleekheid, maar daar zij voelde, nu maar zoo gauw mogelijk af te moeten maken, had ze geantwoord, dat ze wel 's mee wou gaan. .. . Nou, ze zou ’t maar zeggen.. . . affijn. ... hij wou 't ommers weten ... ze dacht er wel aardig goed over .. .
En om zichzelf het dorre nog wat te vermooien:
„We moeten mekaar vanzelf dan nog 'n beetje leeren kennen. ...”
„Netuurlijk," zei-ie, dankbaar voor die woorden, en omdat-ie z'n plicht van haar behoorlijk vragen nu gedaan had, „nou maar, maar dat kan nog, 'eel goéd, Hoor."
Op de intieme verloving hadden ze toen elk een glas wijn gedronken en waren, ongearmd, wijl zij, nog niet officieel verloofd, geen arm nog wou geven, naar