178
spanning venhollandsahte dialect, met z’n hard-ge-ibogen vocalen en bruut-stootende weglatingen der h's, grauwde uit zijn onbuigbaar geluid naar haar sentimen-teel-zangerige, Joodsoh-Amsterdamsche meisjestaai, zooals zijn stijve gebaren wreekten tegen baar fleemend-gracieuze bewegen. Bij 't eerste ontmoeten tegengevallen, leek zij hem, nu zijn aandacht zónder tijd tot afwenden óm baar spiedde, wel zeker begeerlijk; haar volwassen gestalte en haar, schoon wat baardig- vaal-crême en wulpsch-weekhuidige gezicht, waarin, onder lanigzwarte wimpers, de donkere oogen sohijnbaar heftig leefden, schenen hem wel, als zijn bleuheid verkeerd zou zijn in de naakte gemeenzaamheid die tusschen hen komen moest, zoetsmakend van wellust toe. Zij vond hem een stevigen boer, harkerig en niet knap, zooals zij, onder vriendinnetjes over mannen babbelend, ze vaak met vies gezicht verworpen had; maar nu opeens gedwongen in hem haar man te moeten zien — als een meisje van zesentwintig voelde zij, in haar kring zich al oud en zonder veel recht tot eischen — kon zij zich gemakkelijk opdringen hem als al lang te kennen en niet leelijk te vinden; zoo rekende zij zijn ongemanierdheid ook tot de degelijkheid van den provinciaal. Hij, uit vrees straks alles in één oogenblik te moeten zeggen, zweepte zich na veel weifeling op tot den moed, haar te vragen, of ze in een klein plaatsje wel zou kunnen wennen; zoo voelde zij hem te moeten helpen en antwoordde, dat je moest weten te aarden waar je broodje was.
Zij lachten dan telkens elkaar toe, in dien tijd elkaar's gezichtslijnen opnieuw weer volgend, en een poosje bleef dan soms de laéhplooi starren op hun wangen. In een chocoladewinkel, waar hij de gelukkige gedachte had, binnen te gaan om iets voor haar te koopen, hielp hen de winkeljuffrouw, door haar mevrouw te noemen. Dadelijk had zij hem lichtkleu-