174
elkaar de angstige ihoofdeii en gaven met grove monden hun grove kussen. Soms wel, als de dagen vol waren van hard en hoekig gedenk, de uren geen ruimte gaven om eikaars oogen te zoeken en moed te spreken, de handen tot even liefkoozen den tijd niet vonden
— zochten zij elkaar 's armen in den nacht, en drongen naar elkaar heen en zeien hun angst met heviger kussen en zwijgend geliefkoos van lichamen. Zij zochten hun rust zoo in den nacht uit angst voor den komenden dag of uit dankbaarheid van den voorbijen
— en dat deed vaak zwijgend verglijden de vele smartelijke oneffenheden van hun leven; hun angst was hun liefde.
Terwijl hij haar met zijn aandacht dus liefdevol beroerde, liep hij met al sneller en grooter passen toe op zijn huis. Uil zijn grooten jaszak nam hij den sleutel en duwde, na ’t slotomdraaien, de zware winkeldeur open, om naar binnen te gaan. Maar een ontzetting doorkrampte hem, toen hij in den winkel stond. Grietje's stem kermde hem in doodsangst tegen:
„Joop.... Joop! — bi-'j doar....?"
„Ja, wat is er?" riep hij.
„0, Joopien, haal gauw de juffrouw!" riep ze bang: ,,'t Kind is er al! Toe dan! O Joop!”. .. .
Een huivering sidderde koud door zijn lichaam. Hij riep iets verward, een enkel om hulp vragend: ogod! Dan, haar opeens ziah voorstellend in doodsgevaar, zonder hulp, wou hij naar binnen rennen, maar dan hoorde hij haar kermen weer, waarin de doodsangst sahrijnde, en voelde heen te moeten hollen om zoo toch beter haar te helpen. Nog ééns liep-ie een paar passen terug, ibang weer van haar weg te gaan — hij had haar neig niet eens gezien toch — maar dan stoof-ie, de deur openlatend, de straat op en holde in opzwiependen angst, naar het huis van de vroedvrouw. Na een paar minuten had hij haar naast zich op straat, en bij den arm trok hij haar voort naar zijn woning.