173
as ik oè was dan zo''k maar heenegoann. . . . anders 'bi’k bange, dan bi’k bange as da’j oe nog meèr met omze zaken, met onze huusselijike zaken bemujjen. ..."
„Graag," zei Joop kort en stond op. „Morgen za’k mien geld wel komen halen.”
,,A'j 't nou willen hem, ku’j ’t nou krielgenn. teemde Joede, „ie em 't maar veur ’t zeggenn. ..."
„Det hoéft niet," zei Joop waarschuwend, „as ik ’t hebben wil, dan kan 'k 't wel kriegen; doar bin ’k niks niet bange veur, heur Joede. .. .aju Joede! varder dan geen leèd heur Joede. . . .! varder geen leèd!. ..."
Sarrend opgestaan, liep-de dadelijk de deur uit, blij, buiten de frissche lucht van den aandrijvenden dag te kunnen doen binnenwaaien in zijn verhitte lijf. Door de grijs-aandagende straten liep hij heerlijk krachtig stappend naar huis. O, wat walgde hij van dié geminachte schrapers.... O, als-ie maar igekund had.... geen seconde zou-ie binnen hun deur hun dienstbare zijn geweest.
Maar hij dacht aan Grietje, die 't geld zóó noodig had voor de bevalling, waartegen .ze tóch al zoo opzag.
Opeens vol verlangen naar huis om te weten hoe zij 't maken zou, nu de nacht met zijn huiverig gebeuren een zoo langen tijd scheen, waarin hij niet bij haar geweest was, liep ie wat sneller aan. Hij dacht aan gisteravond, aan haar angst telkens, hem zooveel onzekere nachten te moeten missen, en naast haar voelde 'hij zich noodiig als een sterk-groote, een ernstig-ranke steun. Na den rustigen boterham bij de ouden thuis, dadelijk door de oneenigheden in den droeven tegen-loop gestooten, waren zij dichter dan vroeger nog saam gekomen, al magerder dagen, al nauwer intimiteit. Zij hadden in sjofelsten tijd hun beide kinderen gekregen, met angst voor grooter armoe ze ontvangen, met ontbering ze verzorgd. In afzondering voortstram-pelend, drongen zij, als in de bange dagen sinds lang vergeten honger dreigde, dicht bijeen, bogen naar