172
„En tóch zal ze d'r bij!” driftte Joop, en nu met opzet doordwingend liet hij Hanne 'bij 't bed.
De ouwe moeder en Clare, die toen Joede en Lion opnieuw, schoon aarzelend van vrees, Hanne weg wilden dwingen, angstig waren opgestaan .zonder den moed 'zich erin te mengen, riepen de jongens toe, haar te laten. „Loa maar goan!" anigstte Clare, „och Joede, och Lion loat maar gaan!. . . . Fader is al hoaste ole-wesjolem!"
Joop, izidh buigend river ’t bed, zag de laatste zuchten van het leven en zei, 'hijgend van bedarende opwinding:
„Vedht maar niet, jonges. . . . zeg maar gauw Scheimes, anders is 't te late!"
Door schrik gekalmeerd, .zeien ze met hun zessen Sdheimes, hakkelend in den plotsen schok van hun snel wisselende bewogenheden. Naakte stilte van dood huiverde de nachtkamer door, waarin, door de kieren langs de gordijnen, blauwige stroompjes weifelend zomerdaglicht flauwden tegen den geelrossigen lampe-sahijn. Zwijgend, smarteloos, maar van stervens-atmos-feer een oogenblik doorhuiverd, stonden zij dichtbij een voor ’t bed. Dan, dadelijk denkend aan den plicht der ceremonie, liep Joede op den spiegel toe en keende dien om; Lion hing 't Mizraoh, rechts van den schoorsteenmantel, met den naakten achterkant naar buiten. Adhteraf, bang voor wat gebeuren zou, was Hanne in een hoek igaan zitten. Toen de vrouwen naar boven waren, om zich haastig wat kleeren over te gooien, ging Joede op Joop toe, die tegen hun liederlijkheid zijn walg ,zat uit te denken.
„Eur ies evenn," zoaht-ie, schijnbaar kalm vóór hem, „eur ies evenn. . . . mien Fader die is nou olewes-jolem, ‘) en ik geleuve well.... ik geleuve well dat oe warrek hier nou is of-eloopenn.... As ik oè wass....
) gestorven, (over hem de vrede).