170
en slappe moeëre zinkingen bonkte zijn weten neer. Een 'kier van zijn geest bleef tot het laatst toe open, hem latend al de 'schoon tot lamheid neergemokerde vertwijfeling van het ten ondergaan. Het ging weg, weg, alles. .. . Toen, met een vaag-levend bewustzijn, dat er wachtenden om hem waren, zwoegde hij plots met zijn knokigen kop, en verflard reutelden waarschuwende woorden uit zijn bijna toegenepen keel:
„Zaak Scheimes!” kreunde hij op, „Zaak Scheimes, jong! Joede zaak Scheimes! 't igeit nit goed, jong, naa naa, 't geit nit goed!”. . . .
Joop en Hanne, opgesprongen en half verstaand zijn eigen waarschuwing tot 't zeglgen der Eer.heidsbelij-denis, waarzonder geen Jood men mag sterven laten, liepen op 't bed toe, stormden dan naar de deur, om de anderen te wekken. In onderkleeren strompelden de beide mannen en de twee vrouwen naar beneden en ijlden met slaapgezichten op het bed toe.
„Stille! stille!” zei Joop, „hij giet starreven! maar hol oe stille! hij is nog niet dood.”
Verstard bleven zij staan voor de bedstee, tóch nog geslagen door 't voor altijd verstommen en verdwijnen van een zoo lang bekende. Sprakeloos, in haar gelige nachtkleed, was de moeder op een stoel gaan zitten, haar ouwe, achterhoeksche, geel-rimpelige hoofd ineengedoken naar de borst; de dunne sluikzwarte haren slierend langs bei haar gezichtskanten.
Een oogenblik daaht zij er aan, hoe eens, jaren terug, toen zij doodelijk ziek was, Izak bij haar was komen staan aan haar bed en haar deed toestaan, dat hij, zoo zij sterven zou, een andere vrouw moaht nemen. Nou ging hij nog vóór haar. ... 't was toch raar 'geweest ....
Opeens wrong Hanne tot dicht bij 't bed zich tus-schen hen door en nog ééns, wanhopig, riep zij haar stervenden vader toe: „Fader! Fader! zèg ze 't nou!