169
den Hof Eden geloofd: zijn oppermachtige zakenhartstocht had nooit aan zijn droom-leven de rust gelaten, zioh te tillen tot de zuivere indenking van die zalige bovenwereldschheid. Doch, dat hopen, nooit lang en zacht beroerd, kwam nu 't geluk van zijn scherpzinnigheids- en bezitsleven eindelijk machteloos te vergaan dreigde, ontvlammen in zijn uitkomst zoekende denken. Een oogenblik kon hij, weg nu van zaken- en lijfdingen, de sprookj esredding bekijken en omlaaien. 0, zioh nog vast te kunnen grijpen aan dit immer verworpen kinderlijk geloof, dat hem nog de kern van zijn bestaan zou laten, dat hem toch zaaht zou wegnemen van de wreede, wijd-donkere gaping, waarnaar hij ,zidh sidderend zinken voelde. Het leek een zoo izoete, met omhoog getild lijf te aanbidden lichting, in zijn lange izoekende leven grimmig hoofdkniikkend voorbijgezwoegd, maar die bij nu een oogenblik wou omarmen en kussen, en waarin ihij zijn hoofd hijgsnakikend wel dompelen wou, om van alle heerlijkheid van Weten en Zien niet gansdh te worden weggemorzeld. Dodh dan, voelend al dichter en benauwender de beklemming van bet vergaan, verwierp hij dat weer in zijn grauwe onbewuste wanhoop, want . .. wie, wie zei 't hem dat die troost zijn verlies van hetgeen hij wist te hebben bezeten, vergelden kon? nee, o god, bij geloofde dat niet. Daarachter de wijde, wijde duistering waarnaar bij werd neergetrokken, wat zag bij daar met zekerheid? een fel-koude leegte. Hij de sterke, de tiran, hij was er bang voor, als een kind voor een avond-donker binnenplaatsje. Toch, ondanks de vreeselijkheid zijner doffe en troostelooze vereenzaming, als een onherstelbare en bijna te zware straf voor een leven van armzalig ongeloof, voelde hij al sneller kwijninig, al zwaardiahter donkering om zijn denken — en bij wou met zijn nog zoo maahtigen wil wel roepen, schreeuwen, vèohten. . . . maar bij wist eindelijk toch dat bij izicb bad over te geven. Met rukjes