167
wat ze spreken wou, mocht 'ze; waarvoor zou hij ’t haar verbieden?
Zij schoof de gordijnen verder vaneen en boog zich over 't bed.
„Faderr," riep ze angstiig-zacht, „Fader heur nou ies...
Stil bleef ze staan, met haar achterlichaam naar Joops knieën, die langzaam terugsdhoven. Dieper boog zij zich over 't bed, en riep opnieuw: „Fader, Fader!"
Maar plots zag ze haar vader's afgewend hoofd roerloos liggen naar den houten bedsteêwand; de grijze oogen, nog open, mijmerden als van een zieken hond in den grooten, grijzen paterskop. Een huiverende schrik sloeg door haar heen. ... hij was misschien dood, dood?.... nou al? zol-ie ’r dan niks meer zeggen? o god, was nou alle kans op redding weg?. . . . Wild rukte ze zich om naar Joop, en met ontzettingsschreien in haar keel, zag ze hem aan:
„Ho .. . god . .." drong ze, „hij is dood . . . Joop . . . zol ie al dood wezen. .. . ? kiek ies. . . ., kiek ies. . . ., hij ligt zoo stille. . ..!"
Joop, geschrokken, stond op en boog zich over 't bed, bang, dat z'n sterven hem ontgaan zou zijn. Maar met z’n hoofd diaht bij den oude, hoorde hij den adem, wel zachter dan straks, maar duidelijk nog, zuchtend gaan.
„Bi'j igek," zei de, „nee, oe Vader is niet dood, heur; maar meissien, d'r is niet veule meer veur te 'zeggen, ik geleuve niet, dat ie de morgen meer halen zal. ..."
Overeind nog, bleef ie even kijken naar 't langzaam minderend ademen, en overwoog of ie de anderen zou wekken. Hij wist ’t niet, de ouwe was zoo taai: al meermalen deze week hadden ze den afloop verwacht, maar telkens had ie 't leven weer optgelhaald. Besloten met roepen nog even te wachten, iging Joop weer zitten.
Maar Hanne, ziah voelend dichter bij de schrikke-lijkheid van 't einde, dat haar tot een zwerfster zou. maken -—- stellig' verwachtte ze, dat de broers, niets