Ib5
„Oah komt maar," ried Joede, „loa wij maar goan, ook een zorg."
Maar haastig «loop ie naar Joop, en diaht over hem gebogen, zoadat Joop z'n hoofd afwendde van den zwaren etensgeur, idien izij altijd bij zich hadden, fluisterde hij hem toe: „eur ies Joop, iik wil maar izeggenn, ik wil maar zeggenn, ie loaten haar geen kunsten uut halen Iheur, ie loaten haar geen kunsten uuthalenn," en luider, voor Hanne verstaanbaar, om haar te misleiden, als had hij niets over haar gezegd, „en as d'r wat bezonders iss. . . . dan roep ie maar eVenties. . . . wij binnen allemoal bovenn, en wij euren oe dade-lijkk. Nou koffie wi'j niet hebben, want ie vasten zekers ooke, niet? ik zal de lampe een entien ofdrijenn."
Joop knikte. „Goa oe gang maar,” izei ie, blij dat ze eindelijk gingen, „ak oe neudig heb, dan roep ik oe wel."
Nu was nachtstilte, bedompt van oud-ademend leven, dofgeurig vroom, neengezegen in de lage 'ziekenkamer. Zachtzwak geadem van den worstelenden oude, zuchtte naar 't traag geto'k van de ouderwetsche staartklok, die naast den schoorsteenmantel, links de kamer in, haar donkertonige, nauw-wergankelijlke massieW degelijkheid stil trots stond uit te pralen, wegwiegelend den tijd met waardig-zadhten slag in haar izwaarste-vige lichaamkast. 't Half neengedraaide olielicht look spokig langs de gele betimmeringen der kamer; alleen tegen de bedgordijnen gloeiden rossige schijningen, die verdonkerden in de plooien. ~
Langzaam schoof Hanne naar Joop. Hij had al eenige malen gezien, dat 'zij praten wilde, maar bezig met eigen zorg en de gedachte aan Grietje, had hij telkens z'n hoofd afgekeerd, al turend naar den roerloos mijmerenden izieke.
,,‘t Is toch een schandaal," begon ze nu izacht-sdhuw hem toe te spreken, „um 'n zuster zoo uut te stooten,