160
dijnde bed, fluistersmoezend door fzak's gestamel heen om verongelijkte Hanne, die achter in de kamer zaït bij haar moeder en Clare. Dompig en heet van zomerwarmte, ziekenlucht en flauwe etens na-geur, traagde om het licht van de olielamp de atmosfeer der lage kamer. Tusschen de twee gesloten en met luiken gedekte ramen aan de straat stond een tafel, met bruinig kleed alleen om vastendags-vooravond; ouderwetsche zwartleerbekleede stoelen zwierven van en tegen den wand, en achterin de kamer dook stoffig weg een antieke kast met koperen en Delftsche pullen als op den schoorsteen tegenover den tusschenwand der ramen, waarvan terzij 't vervuilde Mizradh ') hing. Zij waren van de heel-enkelen nog, die op Vrijdagavond ontstaken de ouderwetsche Sjabbeslamp; in 't midden van den zolder hing, aan een koperen ketting, de izwaarkoperen bak met aan de bovenronding zijn zeven mondingen, de zeven weekdagen verbeeldend, uit elke tuit de tip van een katoentje. Clare sprak met haar moeder en Joede imet Lion; iHanne zat achteraf, nooit toegesproken en met weerzin geduld. Zoo was er door de broers een tijdlang al voortdurend ééne van de zusters verschopt geweest: eigenlijk wilden zij niemand die minder inbraoht dan zij, aan tafel dulden, maar van de zusters hadden zij er eene voor het vertrouwde huiswerk noodig, sinds de moeder alleen nog maar de leiding had. Een andere zuster had Joede, door 't verzetten van een ladder bij 't pakhuis, een ongeluk doen krijgen, waaraan ze gestorven was. Deze, Hanne, kinderloos weduwe geworden in Amsterdam en toen uit brood-nood naar huis teruggekeerd, werd doodgezwegen zoolang ize bij hen was, wijl de oude Izak haar uitzetting niet wilde.
„Heur iess," zei Lion tot Joop, toen die was gaan
!) Religieuze voorstelling, meestal van den Tempel, die, aan den wand. het Oosten (Mizrach) aanwijst.