154
lijke scihoonheidsvollbouwing? waarvan men zegt, dat zij tussahen de kleinmenschelijke landen een (volmaking van vreugdigheid is, als tussohen krottige zwervers-keeten een trots feestend, blankiwit paleis? Waar is toch, dat wij ze niet merken, die wonldere heerlijkheid? Hoe vreemd, dat de stad zoo leeg is! ais nog nooit een der onze zoo ziekelijk-armzalig?. . ..
De vijanden fratsen en fluiten en schateren hun luide verheuging:
Wij hebben 'haar gansüh verslonden! dit is immers de dag, dien wij nijd-lgrommend van haat, wit en bevend begeerden? o dank, dank roepen zij: wij hebben den dag gelééfd. .. .! onize oogen hebben het ongeluk der trotsdhen geluktintelend geaaid! onze lichamen schurkten wij tegen de doodkrampende lijven! onze ooren hebben hun reuteling als goddelijke geluidingen genoten... .!" ,
0, maakt U dan op, begin Uw wijd geschrei des nachts, als het tijd is van weenen; 'klaagt met breed-zinkende en èpwolkende golvingen van 'overgave den Eeuwige Uw smart....
•Heft Uw bevende handen toch tot Hem op, voor de zielen uwer kinderen, die overal in de straten der stad, ineenzonken van honger....
Eeuwige, zie dan toe, wie 'het is, die gij zóó dom-peldet in donkering van wee. . . . Moeten dan de vrouwen met eigen vrucht, in pmart gedragen en bang verwacht met liefdelachend denken, heur monden vullen? Met brooze kinderen die in licht-tillende armen, men zoo zacht en zoetjes wiegt? Moet dan profeet en priester, ziener en bouwer, geslacht in Uw reinschoone Heiligdom?
Gij hebt, al wat mijn angst was, één dag mij doen omgrijnzen en verwurgen; als tot een feest, een Hoogtij, 'hebt Gij U, zoo zorgzaam, tot mijn ondergang bereid .. ..
Zoo bleef dan niemand die mij lief was. .. . mijn