153
van troosting. ... zie mijn ellende aan, de vijand tooit zich izoo met mijn vernedering!
Gaat het U niet aan, die over de wegen schrijdt?
O, ziet eens, ziet, of een smart, als de mijne zóó wijd, door één ooit wordt geleden... .
Om dit a'lles ween ik, ween iik mijn oogen weg — geen trooster daagt, die met zijn teerst geklanikte woorden mij zacht zou aaien; ik ben zoo eenzaam wijdomme, nu mijn haters mijn kinderen namen. .. .
De poorten van Zion staan als breedruggende wachters niet meer grootmachtig op; als in den grond verzonken, jzijn zij niet meer te vinden.... In zijn eindelijke wraak liet Hij de grendels rottig roesten, tot op wie woonden in de stad, de vijanden zich tierend wierpen....
De koning en de vorsten gaan tussohen de heidenen zwaargebonden — de profeten leven niet meer hun vervoeringen van 't Godsgézicht.
De oudsten van Zion zitten neer op den grond en zwijgen, stof op hun hoofd, en om hun liif een grauwe zak; de jonge meisjes van Jeruzalem gaan, in gebroken gang als grijzen, met heur zoete hoofden omlaag de vreemde wegen langs.
Ziet gij niét schuw ze gaan — de blank-ranke, d'e donkerfijne Jodinnen? Tusschen het loeren der bruut-vreemde oogen gaan zij met gedoken hoofd en schouders. Broosjonge lichamen zijn rauw gesdhonden, als met giftigen wespenbeet bloeiendzoete, donzige vruchten.
Hoor, van overrompelend-wwarte smart, zangerige kelen reutelen; heur wangen zijn nog wit van de schreiende moording die om haar was.
De vijanden die over de wegen gaan, klappen sohel-juichend in de handen; zij fluiten met wreeden grijns en met sarrend verwonderen schudden hun lachende hoofden.
Zij vragen: Is dit nu de stad, die heet een zoo heer-