152
zoo met die levensinnigheden van een heel jaar wegdringend der .zorgen vertreitering.
In de stilte der Synagoge, met den rouw der uitwerping omhangen, luisterde hij, teruggedoken tegen zijn bank, en den zin der verzen volgend, naar 't halfluid sdhreizingen van den Rabbijn, dat van de trappen voor de Arke zacht-donker wolkte door 't hooge gebouwtje. De zanger klaagde de uitgestorvenheid der Jodenstad, die staat als na een zwiepende barsting van onweer, met leege straten en wankele huizen, uitgestorven en bar. Langs de gevels zuchten fluisteringen van verlatenheid; teedere weengeruchten schrijden als ijle gestalten de naakte straten door. Boven de melaatsche bouwselen openen en sluiten zich de luchten, blanken de dagen en de donkere nachten omwikkelen ze nog; maar de menschenstem-men drijven hun heerlijke trillingen niet meer in de heilige atmosfeer die tusschen de wegen hangt, al wachten, met doode raam-oogen, .de gevels ook, of geen echo opklankt langs hun roerlooze lichamen:
Wee! hoe eenzaam is de stad, die zoo volkrijk was; zij is ais tot een weduwe geworden. Zij, die zoo groot was onder de volken, die een vorstin onder de gewesten heette, zij werd schatplichtig — een onderworpene.
Van al die haar minden hoort ‘zij geen enkele troosting; heur vele vrienden trouweloos werden en zich vijandig van haar keerden.
In den nacht nu weent zij steeds langs heur verbleekte wangen brandende tranen neer.. . .
Als een afgezonderde vrouw werd, na .zoo zware zonde, Jeruzalem; die wel gracelijk voor haar bogen, negeeren haar. .. . hoor nu haar matte zuchten, waarnaar niemand luisteren bleef.
Tot demzoom van heur kleed wordt haar onreinheid walgend waargenomen; daarom zonk zij zóó wonderdiep neer.... och Eeuwige, zij hoort geen zacht .geluid