151
bij -hun daarvoor dienst moest doen. Gelukkig-gemak-kelijk keerde hij :zijn denken iweer van de dagen-dingen af, en luisterde naar des voorzangers klagen, dat hem, na even verinnigen van 't verbeelden, weer dadelijk tot een ontroering werd. ,Hij, met z'n leeftijd vol zorg, hem een stil-martelende hindernis, weinig meegedeeld aan anderen, die met hün moeilijkheden 't leven zich vulden, had vaak Jodendom's beknelling in steden en stadjes doorleden. Weinig wetend van den dieperen zin der wereld-gebeurens, wat hij las, brengend binnen de kleine omkamering van zijn gebleven jeugd-beigrippen en het daar, wijl 't vreemd daaraan leek, afkeurend en buiten diepere indenking latend, scheen hem arm Jodendom alleen in benauwenis, om der voorvaderen en eigen eindeloos zondigen. In zijn stadje had hij de beklemming gevoeld van altijd, altijd door te bewegen tussöhen vreemden; rond zijn rusteloos krabbelen naar 't broodje en zijn nooit voor goed verstervende levensvreugde grimmigde klein-rauwe spot van nog altij'd tegenwerking zoekenden, nu en dan openlijk de nagels uitslaande rassenhaat. Zoo ging op grootdroeve dagen als deze, als drijvend op donkere luchten, zijn herinnering terug naar den rijken bloeitijd van zijn volk, die hem scheen als een sprookje, aan dichtverwanten eens gebeurd, en die hem en de zijnen, na de duistering der lange verlatenheid, in zijn rechtvaardige en durende warme ge-lu.kkigheid een verren dag eens weer omzingen zou. Hij sprak er niet van, en zelfs beroerde hij het niet met die zekerheid ïbeteekenende, vastere geluiding zijner gedachten, als wist hij wel, dat het maar leven-vermooiende mijmering was, dat verwachten van den Messias, die Israël, door de wijde vijandenlanden heen, met tot macht weer gedijende drommen eens zou voeren naar Jeruzalem. Maar met al zijn liefde gaf hij zich over aan den blijden of devoten of schreienden toon der feest- en zoen- en treurdagen,